Ridderkerks Dagblad | K(r)amperen

K(r)amperen

mainImage

Op mijn zestiende jaar ging ik voor het eerst kamperen. Ik was geslaagd voor het MULO examen en de wereld lag voor mij open.

Wij waren al jaren met z’n vieren bevriend en wij besloten twee tweepersoonstenten te huren bij de zeilmakerij Smit op Ridderkerk. Kleine tweepersoonstentjes maar wat gaf dat, het was toch alleen maar om te slapen. Het reisdoel was Belgie en Duitsland en het vervoermiddel de fiets.

In Barendrecht was een winkel waar je blikken met een complete maaltijd kon kopen: aardappelen, groenten en een stuk worst of vlees. In onze jeugdige onschuld kochten we elk tien van die blikken. Loeizwaar in de zijtassen, we hebben het geweten.

Ook huurden we een primus, een benzinevergasser, die je voor elk gebruik op moest pompen. Blik eten in een pannetje water, een poosje laten koken en je maaltijd was klaar.

Wel eerst een gaatje in het blik maken anders spoot de inhoud van het blik, als je het na het warm maken opende, zo in je gezicht. Maar daar ben je na een keer wel achter.

Ook namen we een paar potjes jam mee van huis waar we elke dag ons brood mee besmeerden. Ik geloof niet dat we ander broodbeleg gebuikt hebben.

Omdat er in die tijd tien cent statiegeld op een jampotje stond namen we, zuinig opgevoed als we waren, ze weer mee naar huis maar om ruimte te besparen deden we er vuil ondergoed in. En met vuil bedoel ik: echt vuil na een week dragen in weer en wind. Het gevolg laat zich raden, mijn moeder was daar niet blij mee.

Slaapzakken hadden we niet dus naaide mijn moeder een laken dubbel en er een dunne deken omheen. Als kussen een sloop waar je ’s avonds de kleren in deed die je de volgende morgen aan moest.

Matrassen? Laat me niet lachen, gewoon op het (losse) grondzeil slapen zodat je ’s morgens met een dubbele hernia wakker werd. Maar je wist niet beter en bovendien waren wij (toen nog) bikkels.

Mijn vriend waar ik mee in een tent sliep was zo lang dat zijn voeten ’s nachts altijd buiten de tent staken. Erg vervelend. Vooral als het hard regende.

De Duitsers hadden in die tijd bij ons nog steeds geen beste naam maar toen mijn vriend op een keer een lekke band kregen en we, om te kijken waar het gaatje in de band zat, ergens aanbelden en aan de bewoonster van het huis vroegen of we wat water konden krijgen, kwam de vrouw even later met een paar flessen bier aanzetten. Toen we uitgelachen waren hebben we haar uitgelegd wat we met dat water wilden doen.

De flessen bier mochten we toch houden.

Ergens in Duitsland kwamen we op een camping drie jongens uit Slikkerveer tegen die we kenden. Met één ervan had ik zelfs in de klas gezeten. Hij heette Ton Prins en woonde in de Oranjestraat op Slikkerveer.

Zij waren op de brommer en omdat de tent die zij besteld hadden per ongeluk aan iemand anders uitgeleend was hadden zij van Smit een tent mee gekregen die zo groot was dat ze elke avond de drie brommers binnen zetten. Hij was wel zwaar.

Ergens in Duitsland kreeg één van de drie pech aan zijn brommer waarop de twee anderen besloten hem te trekken. Ze namen een dubbel stuk touw, maakten het vast aan zijn stuur en de twee vrienden met de brommers die het wel deden namen allebei een eind van het touw waarmee ze hem trokken.

Dat gaf een probleem toen op een kruispunt de een naar rechts reed en de ander naar links.

In Heidelberg ontmoetten we een paar Amerikaanse meisjes waar we ergens ‘bockwurst und bier’ mee gingen drinken.

Ze vertelden ons dat ze ook een paar Nederlandse woorden kenden die ze van een paar andere Nederlanders geleerd hadden. Ik krijg nog rooie oren, en dat gebeurt niet gauw, als ik er aan denk welke woorden dat waren. De meisjes hadden geen idee wat ze zeiden en dat hebben we toen maar zo gelaten.

Ik herinner me nog heel goed dat dat weekend een of andere dwaas met een aantal volgelingen op de Mont Blanc zat omdat op een maandag in Augustus om 13.15 uur de wereld zou vergaan. Toen we Heidelberg uitreden was het zover en wij maakten alvast vaart om het wat gemakkelijker te maken. Maar er gebeurde niets.

Tot voor kort kampeerde ik maar dan in een caravan en van veel gemakken voorzien. En op de diverse campings zag ik soms caravans of campers staat met dingen daarin die wij zelfs thuis niet hadden.

Op zulke momenten dacht ik nog wel eens terug aan dat harde grondzeiltje en die loodzware en tamelijk smaakloze blikken hutspot uit Barendrecht.

Dàt was pas k(r)amperen!