Ridderkerks Dagblad | Figureren in internationale films

Figureren in internationale films

mainImage

Begin maart schreef ik een column over mijn eerste schreden op het pad van de figuratie in Flikken Rotterdam. In hetzelfde jaar (2018) kreeg ik een verzoek om mee te werken aan een internationale film, Spider in the Web, met Ben Kingsley (Oscar winnaar voor zijn rol in Gandhi), Itay Tiran en Monica Bullici. Mijn figurantenrol was treinpassagier, waarbij ik in een achtervolging, in het gangpad, terecht kwam. De opnames waren in het Museum Stoomdepot in Rotterdam.

Wij waren met vier man en vrouw geselecteerd als edelfiguratie. Bij de lunch ging het bijna mis. Nadat wij terugkwamen van opnames vonden wij de hond in de pot. Nadat wij dreigden naar huis te gaan - er moesten nog meer opnames worden gemaakt met ons - werd er in allerijl voor eten gezorgd.

Dezelfde periode was ik geselecteerd voor een andere internationale film die in Nederland en Engeland werd opgenomen. De werktitel was Lyrebird, maar de film was later als The Last Vermeer te zien in de bioscoop en op Netflix. Eén van mijn rollen in deze film, over de Nederlandse schilder en meestervervalser Han van Meeteren, gespeeld door Guy Pearce, was die van eigenaar van een bar in Amsterdam. Daarnaast mocht ik ook komen opdraven als burger en toeschouwer bij executies.

Voor je echter op de set staat gaat er veel aan vooraf. Zo moest ik verplicht naar een doorpas in Amsterdam. Voor de mensen die niet weten wat “doorpas” in de filmwereld inhoudt: het is het passen van de kleding welke bij je rol van toepassing is en eventueel het knippen van de haardos.

Deze film speelde zich af net na de oorlog, in juni 1945. Om die reden mocht ik ook bij de kapper aanschuiven. Weliswaar gebruikte deze kapper geen bloempot, maar het resultaat kwam op hetzelfde neer. Daarna begon het passen der kleding, eerst werd een outfit als bareigenaar uitgezocht en na wat aanpassingen kreeg het de goedkeuring van de kledingbaas.

Het aanmeten van de kleding als burger had meer voeten in aarde dan ik had verwacht. Na ongeveer twee uur passen, meten en weer opnieuw passen, kreeg mijn burgerkloffie de goedkeuring die nodig was.

Ruim een week later werden wij dan in Amsterdam verwacht. Gelukkig kon ik met iemand meerijden naar het epicentrum van de film, want het zou een latertje worden. Het verzamelen was midden in Amsterdam, waar tientallen portocabines twee hoog gestapeld stonden. Er waren twee hele grote tenten, één voor kleding en knippen en de andere voor de catering.

Bij de ingang bewaking, je kwam niet makkelijk het terrein van de holding op. Uiteindelijk werd ik opgeroepen om mijn kleding als bareigenaar aan te trekken. Dat was zo gebeurd, alles hing keurig klaar. Daarna was het wachten tot wij naar de set konden worden gebracht. 

Maar ik had even buiten de waard gerekend, het hoofd van de kleding. Niemand maar dan ook niemand zou aan deze man ontsnappen. Vriendelijk kregen wij het verzoek om een line-up te vormen zodat het opperhoofd onze kleding kon inspecteren. Na zijn goedkeuring mochten wij naar de busjes, die ons naar de set brachten ergens in Amsterdam. Op de set aangekomen begon het wachten. Figureren is nu eenmaal 80% van de tijd wachten.

Maar het duurde niet al te lang voordat ik mijn rol als eigenaar van de bar, een kraai zou zeggen “met verve”, kon spelen. Mijn klanten waren Claes Bang en Vicky Krieps, die door mijn ober van consumpties werden voorzien. De baas zelf stond achter de toog om de andere clientèle te bedienen. 

Nadat de eerste opnames erop stonden, mochten wij weer naar buiten. De set werd, zoals dit heet, omgezet, waarna de scène vanuit tegenovergestelde richting werd gefilmd. Uiteindelijk stonden de scènes erop en kreeg ik bij het naar buiten gaan van één van de regieassistenten te horen “good job barkeeper”.

Daarna werden we naar het busje gebracht en gingen we, onder grote belangstelling van toeristen en loslopende Amsterdammers, terug naar de holding. Daar aangekomen was het voor mij nog niet voorbij. Ik was geboekt tot 4.00 uur en kon mij omkleden van bareigenaar naar burger. Ook nu weer moesten alle burgers in een line-up gaan staan en kwam het kledingopperhoofd ons weer inspecteren.

Dit gebeurde later ook bij opnames in Leiden en Dordrecht, al die dagen was er de terugkerende inspectie. En dacht maar niet dat je richting set iets kon veranderen. De man zag immers echt alle veranderingen.

Terugkijkend op de opnamedagen van beide films kan ik stellen dat het een mooie ervaring is geweest. Ik kijk uit naar de dag dat ik weer de set op kan, want figureren is een soort virus waar je verslaafd aan raakt.