Ridderkerks Dagblad | De camper.

De camper.

mainImage

‘Waar komen jullie vandaan, uit Duitsland?’

Een aantal jaren geleden waren we, op vakantie in Canada, met onze gehuurde camper aangeland op één van de vele schitterende campings die dat immens grote land rijk is. De man die het me vroeg was ruim 80 jaar oud, had een bleke gelaatskleur en sprak Engels met een zwaar accent.

Het was al minstens de tiende keer dat iemand me dat vroeg en eerlijk gezegd begon het me een beetje de keel uit te hangen, tenslotte ben ik in de oorlog geboren en was mijn vader drager van het verzetsherdenkingskruis. Bovendien behoor ik tot de generatie die 1974 nog steeds niet helemaal verwerkt heeft. (voor de jeugdigen onder u: ik heb het over de van Duitsland verloren WK-finale voetballen)

‘Nee’, zei ik, ‘wij komen uit een klein landje dat naast Duitsland ligt.’

‘Oostenrijk?’, probeerde hij.

‘Nee, ook niet’, zei ik, iets te hard, omdat de combinatie Oostenrijk/oorlog ook niet helemaal fris te noemen is, ‘wij komen uit Nederland. Volgens mij bent u geen Canadees van geboorte.’

Hij keek me strak aan met zijn waterige ogen.

‘Ik kom uit Duitsland’, zei hij, ‘maar ik woon hier al ruim 65 jaar.’

“Ach so’, zei ik per ongeluk en dacht, ‘ruim zestig jaar geleden was het einde van de oorlog. Misschien gevlucht?’

Hij liep weer naar zijn eigen camper en ik hoorde hem iets in het Duits tegen zijn vrouw zeggen die met een keurig schortje voor heel sauber een stofdoek stond uit te slaan.

Een uur later kwam er een echtpaar van ongeveer dezelfde leeftijd aanwandelen en ik hoorde hoe het in het Duits begroet werd. De vrouwen gingen een eindje lopen en de mannen zetten zich met twee flessen bier aan de campingtafel. Tussen hen in lag een landkaart.

‘Die zitten een Anschluss voor te bereiden’, fluisterde ik tegen mijn vrouw.

‘Doe niet zo gek’, zei ze, ‘dat zijn gewoon een paar oude mannen die na de oorlog geëmigreerd zijn.’

‘Ja, om meer Lebensraum te krijgen.’

Weer een uur later arriveerde er een jongeman van ongeveer 25 jaar op een afgeladen mountainbike. Hij was een atletisch type met een grote bos blond haar en een kolossale snor. Typisch het voorbeeld van een gezonde geest in een gezond lichaam. Hij zette zich ook aan de campingtafel en er ontwikkelde zich een gesprek, dat ik helaas niet kon volgen, waarbij de jongeman herhaaldelijk iets aanwees op de landkaart.

‘Dat is een spion’, siste ik, ‘die heeft de boel per fiets verkend en nou overleggen ze waar ze het best de mortieren kunnen opstellen.’

Mijn vrouw keek me aan en schudde meewarig haar hoofd. ‘Jij hebt te veel oorlogsboeken gelezen’, zei ze.

De jongeman zette naast de stafcamper een klein legergroen tentje op; Unterschied muss sein, en ging vroeg onder zeil.

Toen we de andere morgen opstonden was hij alweer vertrokken, misschien wel om te kijken naar een mooi plaatsje voor een hoofdkwartier of zo. Even later vertrok ook de camper.

Toen wij tien minuten later buiten zaten te ontbijten stapte er uit de camper aan de overkant een man. Hij droeg een doos onder zijn arm en in zijn hand had hij een schepje. Hij liep naar de plek waar de ‘Duitsers’ gestaan hadden en keek wat rond.

‘In die doos zit vast een Geigerteller’, zei ik, ‘en dat schepje is om de kernwapens mee op te graven die ze hier verstopt hebben, maar gelukkig; de geheime dienst is ze op het spoor.’

Mijn vrouw keek me van boven haar boterham met jam verdrietig aan.

‘Soms vraag ik me af of jij wel helemaal normaal ben’, zei ze bedroefd.

‘Ja, ik ook’, zei ik, ‘is er nog thee?’