Toen ik in de eerste klas van de MULO zat, kreeg ik, naast andere voor mij nieuwe vakken, ook wiskunde: Meetkunde en Algebra, van mijnheer van der Veen, bijgenaamd: de Beer. Mijnheer van der Veen was iemand die heel goed was in die vakken en veronderstelde dat wij dat ook zouden zijn.
Nou, ik in ieder geval niet.
Ik snapte er niets van en dan was je in de ogen van mijnheer van der Veen een stommerd.
Ik kon me ook met de beste wil van de wereld niet voorstellen dat ik zoiets onbegrijpelijks en onzinnigs ooit nog eens nodig zou hebben in mijn leven.
Ook Boekhouden was niet erg aan mij besteed maar het dieptepunt was Algebra met zijn onmogelijke berekeningen.
Mijn vader was slager en hij hoefde ook geen loodlijn uit te zetten als hij een koe ging slachten om te berekenen waar dat beest neer zou komen en toch kwamen ze bijna altijd goed op de grond terecht. Voor de slager, wel te verstaan.
Dat de hoeken van een driehoek samen 180° waren en nog steeds zijn is nog wel te begrijpen maar wat moest ik met wartaal als A² + B² + C²? Eitje, zullen er onder u zeggen maar het zei mij niets.
Dit leek veel op georganiseerd scholiertje pesten of werkverschaffing voor wat oudere heren die zich, bij gebrek aan een fatsoenlijke opleiding en aangetrokken door de lange vakanties, leraar Wiskunde noemden.
En dus besloot ik al na de eerste les dat ik vanwege die Wiskunde en Algebra zeker geen MULO-B zou gaan doen maar als het dan echt niet anders kon MULO-A met Middenstand.
Het liefst had ik alleen maar examen gedaan in de vier talen maar dat kon nou eenmaal niet.
Als je MULO-B ontliep kreeg je ook geen Schei- en Natuurkunde en dat was mooi meegenomen.
Tijdens het eerste schooljaar haalde ik voor Wiskunde series onvoldoendes en als ik voor de klas moest komen om op het bord een som te maken wachtte ik net zo lang met opschrijven tot de leraar het antwoord al gaf en trok ik daarbij een gezicht alsof hij me net voor was omdat ik dat juist op wou gaan schrijven.
Na de tweede klas was ik gelukkig verlost van die ongein en leefde ik in de waan dat ik de rest van mijn leven in zalige Wis- en Scheikundeloosheid kon doorbrengen.
Tot ik in militaire dienst bij mijn opleiding tot wachtmeester der Artillerie kogelbanen moest berekenen en op de Fotovakschool, die ik na mijn diensttijd volgde, de sterkte van lenzen moest kunnen berekenen en chemische formules uit mijn hoofd moest kennen voor het maken van ontwikkelaar, fixeer en andere baden.
Gelukkig heb ik het overleefd maar ik heb mijn kinderen, toen ze op de middelbare school zaten, bij deze vakken nooit kunnen helpen met hun huiswerk. Dat hoefde ook niet want in dat opzicht lijken ze meer op hun moeder die daar minder moeite mee had dan ik.