Het lijkt wel of de Sinterklaasgekte elk jaar vroeger begint. Dit jaar zag ik, net terug van vakantie en vanwege de temperatuur in korte broek, half september al pepernoten in de winkels liggen. Het moet niet gekker worden. Kennelijk worden ze nog verkocht ook.
Vroeger, daar heb je hem weer, vroeger begon het Sinterklaasgedoe pas na de tweede helft van november.
Een paar jaar geleden kwam de Sint half november aan in Harderwijk waar onze oudste zoon met zijn vrouw en hun drie kleine kinderen wonen. Ze waren met z’n allen naar de intocht gegaan, ze waren zelfs nog op de t.v. te zien.
We hadden afgesproken dat weekend op hun kinderen te passen en van zaterdag op zondag te blijven slapen. De kinderen mochten voor de eerste keer hun schoen zetten bij de houtkachel. De winterpeen in de schoentjes hadden we zo ver mogelijk weg gestopt om geen twijfel te zaaien in de kinderhartjes. De deurtjes van de houtkachel waren veel te klein voor de kadootjes maar ook dat zien kinderen gelukkig niet. Ook dat er geen roet aan de pakjes zit wekt geen argwaan.
We hebben het geweten. Op zondagmorgen om 5.45 ging er een slaapkamerdeur open en trippelden er twee blote voetjes naar ons bed.
‘Ik ben wakker’, deelde onze kleindochter ons, tamelijk overbodig, mee. Wij inmiddels ook.
‘Nog even gaan slapen’, adviseerde mijn vrouw.
‘Mag ik al naar beneden?’
‘Nee, over een uurtje.’
Duidelijk teleurgesteld sjokte ze weer naar haar kamer.
Tien minuten later stond de volgende voor ons bed.
Uiteindelijk zaten we al om half acht aan de ontbijttafel met de uitgepakte kadootjes. Eigenlijk veel te gek voor een schoen. ‘Wat moet dat worden als het eenmaal echt Sinterklaasavond is’, dacht ik.

Wat opvalt bij de tegenwoordige Sinterklaas is dat hij geen zak meer bij zich heeft om de stoute kinderen mee naar Spanje te nemen. Duidelijk een teken van onze verpamperde maatschappij waarin iedereen lief is en stoute kinderen niet meer bestraft lijken te worden.
Zelfs in de kerk worden we aangesproken met ‘lieve mensen’ terwijl er meestal een aanwijsbaar aantal minder lieve mensen aanwezig is waaronder ikzelf (soms).
Het liedje; ‘hoort wie klopt daar kind’ren’, heeft als tweede couplet; ‘stoute kind’ren’, zegt hij, ‘krijgen knollen’, zegt hij, ‘en een zakje met een beetje zout.’ Waar dat zout voor is weet ik eigenlijk niet, misschien wel om die knollen wat hartiger te maken. Het liedje gaat verder; ‘want je weet wel’, zegt hij, ‘dat Sint Nicolaas’, zegt hij, ‘van die stoute kind’ren heel niet houdt.’
Dus geen grote kindervriend maar wel een rechtvaardige. Zo mag ik het zien. ’Wie zoet is krijgt lekkers, wie stout is de roe’. Maar dat past ook niet meer bij het hedendaagse Sint beeld. En niet alleen het Sint beeld maar het hele beeld. Vernielingen en overlast vallen vaak onder de noemer ‘kansarm’, ’achterstandswijk’, ‘identiteitscrisis’, en weet ik al wat niet meer. Net of het dan opeens niet meer zo irritant of misdadig is. Ik ben in de oorlog geboren toen er niks was maar ik heb vreemd genoeg nooit de behoefte gevoeld om bushokjes te vernielen of iemand in elkaar te slaan wiens gezicht me niet beviel omdat we toen suikerbieten moesten eten.
Volgend jaar moet de Sint gewoon de roe maar weer meebrengen op de boot, en wie stout is……inderdaad.
Een Engels spreekwoord zegt; ‘spare the rod and spoil the child’, in goed Nederlands: ’wie zijn kinderen liefheeft, kastijdt ze.’
Al gaat dat laatste wel erg ver.